Olivia Santantonio
Intellectuele eigendom
Informatiebeheer & Gegevensbescherming
Productconformiteit, -veiligheid en -aansprakelijkheid
Geschillenbeslechting
Life Sciences
Handelsrecht
Telecom, Media & Technologie
olivia.santantonio@lydian.be
Op 24 september 2026 heeft advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona zijn conclusie uitgebracht in zaak C-573/25, Suzhou Anri Child Products Co. Ltd tegen Cybex GmbH, naar aanleiding van een prejudiciële verwijzing van het Landgericht Düsseldorf (Regionale Rechtbank Düsseldorf, Duitsland).
De zaak bevindt zich op het kruispunt van twee Europese regimes waarvan vaak wordt aangenomen dat zij soepel naast elkaar functioneren: enerzijds de kostenregeling van Richtlijn 2004/48/EG van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (Handhavingsrichtlijn) en anderzijds de kostenregeling voor Gemeenschapsmodellen. De conclusie geeft een duidelijke boodschap aan rechthebbenden en praktijkjuristen: beide systemen zijn waterdicht en kosten kunnen niet van het ene naar het andere regime worden overgeheveld.
Cybex en Suzhou, twee fabrikanten van kinderwagens die in de Europese Unie worden verkocht, raakten verwikkeld in een geschil nadat Suzhou in september 2022 zijn model “S63” tentoonstelde op een vakbeurs in Keulen. Cybex meende dat haar modelrechten werden geschonden en stuurde een sommatiebrief. Dit leidde tot twee afzonderlijke procedures: een procedure tot voorlopige maatregelen voor de Duitse rechtbanken en een nietigheidsprocedure tegen Cybex’ ingeschreven Gemeenschapsmodellen voor het EUIPO.
Het Landgericht Düsseldorf kende in september 2022 de gevraagde voorlopige maatregelen toe aan Cybex. In december 2022 werden deze in hoger beroep opgeheven. Nadat Cybex haar verdere beroep had ingetrokken, veroordeelde het Oberlandesgericht Düsseldorf Cybex in oktober 2023 tot betaling van de kosten van de voorlopige maatregelenprocedure.
Parallel daaraan had Suzhou in november 2022 bij het EUIPO nietigheidsvorderingen ingesteld tegen de modellen van Cybex. Deze procedures zijn nog steeds aanhangig.
Toen Suzhou in de Duitse procedure inzake voorlopige maatregelen om vergoeding van haar kosten en vergoedingen verzocht, probeerde zij ook de advocatenkosten van EUR 100.966,77 uit de nog lopende EUIPO-procedures hierin mee te nemen. Suzhou stelde dat het verweer tegen de voorlopige maatregelen noodzakelijkerwijs ook inhield dat de modellen van Cybex bij het EUIPO werden aangevochten, en dat die kosten neerkwamen op schade die was veroorzaakt door de (uiteindelijk afgewezen) voorlopige maatregelen.
Dit bracht de Duitse rechter ertoe twaalf prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Drie daarvan (waarover de advocaat-generaal zich diende uit te spreken, namelijk de zevende, achtste en negende vraag) betroffen de vraag of de kostenregeling van de Gemeenschapsmodellenverordeningen en de regeling inzake kosten en schadevergoeding van de Handhavingsrichtlijn kunnen worden gecombineerd, zodat EUIPO-gerelateerde advocatenkosten als “andere uitgaven” kunnen worden teruggevorderd in de nationale procedure inzake voorlopige maatregelen.
De advocaat-generaal komt in eerste instantie tot de conclusie dat de zevende tot en met de negende vraag niet-ontvankelijk zijn.
De kostenregeling van Verordening 6/2002 van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (Verordening 6/2002) en Verordening 2245/2002 van 21 oktober 2002 tot uitvoering van Verordening 6/2002 (Verordening 2245/2002) veronderstelt het bestaan van een verliezende partij in de nietigheidsprocedure voor het EUIPO. Aangezien die procedure nog loopt, is er op dit moment nog geen verliezende partij en dus ook geen grondslag om te bepalen wie de kosten moet dragen. Een uitspraak daarover zou bijgevolg prematuur zijn.
De advocaat-generaal benadrukt bovendien dat de nietigheidsprocedures bij het EUIPO en de Duitse procedure inzake voorlopige maatregelen volledig los van elkaar staan. Indien nationale rechtbanken voorrang kunnen krijgen boven de eigen kostenverdeling van het EUIPO, vooraleer het EUIPO zelf uitspraak heeft gedaan, zou dit afbreuk doen aan het autonome kostenstelsel dat door Verordening 6/2002 en Verordening 2245/2002 is ingevoerd.
Voor het geval het Hof de drie vragen toch ontvankelijk zou achten, onderzoekt de advocaat-generaal of het kostenstelsel van het EUIPO exclusief en uitputtend is en, zo niet, of kosten gemaakt in een EUIPO-nietigheidsprocedure kunnen worden overgedragen naar een nationale procedure inzake voorlopige maatregelen als “andere uitgaven”, binnen de wettelijke maxima.
Volgens de advocaat-generaal vormt de kostenregeling voor Gemeenschapsmodellen een lex specialis: een uitputtend systeem waarbij de in het gelijk gestelde partij voor het EUIPO niet meer aan advocatenkosten kan terugvorderen dan de in die verordeningen vastgestelde maximumbedragen. Bovendien worden deze kosten door het EUIPO zelf vastgesteld en niet door nationale instanties.
Daaruit volgt dat de terugbetaling van advocatenkosten gemaakt in EUIPO-nietigheidsprocedures uitsluitend wordt beheerst door Verordening 6/2002 en Verordening 2245/2002, en niet door artikel 9, lid 7 of artikel 14 van de Handhavingsrichtlijn. Beide systemen zijn volgens de advocaat-generaal “wederzijds exclusief” en blijven volledig intact ondanks de latere invoering van de Handhavingsrichtlijn.
Hij verwerpt tevens het argument van Suzhou dat de oudere kostenregeling voor Gemeenschapsmodellen voor de Handhavingsrichtlijn moet wijken. Daarbij stelt hij vast dat de Handhavingsrichtlijn het bestaande kostenstelsel, met zijn specifieke materiële en procedurele kenmerken, volledig ongemoeid heeft gelaten.
Zelfs indien de Handhavingsrichtlijn van toepassing zou zijn, bevestigt de advocaat-generaal, onder verwijzing naar zowel zijn eigen eerdere conclusie als het arrest van het Hof in United Video Properties (C 57/15), dat advocatenkosten onder het begrip “gerechtskosten” in artikel 14 van de Handhavingsrichtlijn vallen. Zij kunnen daarom niet tegelijk als “schadevergoeding” worden aangemerkt zonder afbreuk te doen aan het onderscheid dat de richtlijn zelf maakt.
De advocaat-generaal onderscheidt deze zaak van het arrest Koch Media (zaak C 559/20), waarin buitengerechtelijke kosten van een ingebrekestelling als “andere uitgaven” werden beschouwd. Hier stelt de Europese Commissie, een standpunt dat door de advocaat-generaal wordt gevolgd, dat de nietigheidsprocedures bij het EUIPO volledig afzonderlijk en onafhankelijk zijn van de Duitse procedure inzake voorlopige maatregelen. De daarmee samenhangende kosten kunnen dus niet worden geherkwalificeerd als “andere uitgaven” van die nationale procedure.
Opmerkelijk is dat de advocaat-generaal erop wijst dat Suzhou de nietigheid van de modellen ook als verweer had kunnen aanvoeren binnen de procedure inzake voorlopige maatregelen zelf, zoals toegestaan onder artikel 90, lid 2, van Verordening 6/2002, in plaats van een afzonderlijke procedure bij het EUIPO op te starten. De verwijzende rechter had dit zelf eveneens vastgesteld. Die bewuste procedurele keuze, gemaakt in het kader van Suzhou’s eigen processtrategie, vormt een bijkomende reden waarom de kosten van de EUIPO-procedure niet op Cybex kunnen worden afgewenteld via de nationale procedure.
Tot slot verwerpt de advocaat-generaal het argument dat de wettelijke plafonds voor vertegenwoordigingskosten voor het EUIPO te laag zijn om de werkelijke marktprijzen van advocaten te weerspiegelen. Die plafonds dienen volgens hem een legitiem doel: het waarborgen van toegankelijkheid en voorspelbaarheid van de EUIPO-procedures. De geldigheid van die plafonds werd bovendien niet betwist in deze zaak.
De advocaat-generaal stelt voor dat het Hof de zevende, achtste en negende prejudiciële vragen niet-ontvankelijk verklaart.
Subsidiair stelt hij voor om de artikelen 70, lid 1 en lid 6, van Verordening 6/2002 en artikel 79, lid 7(f), van Verordening 2245/2002 aldus uit te leggen dat zij een uitputtende regeling bevatten voor het opleggen, verdelen en begroten van kosten in nietigheidsprocedures voor het EUIPO, en dat de terugbetaling van advocatenkosten in die context niet wordt beheerst door artikel 14 van de Handhavingsrichtlijn.
De fase van schriftelijke opmerkingen is inmiddels afgesloten met indieningen van Suzhou en de Europese Commissie.
Het arrest van het Hof van Justitie wordt nu afgewacht. Zodra het arrest wordt gewezen, zullen wij hierover een update publiceren.
Ons Lydian IP-team staat klaar om u te begeleiden bij vragen over de recente ontwikkelingen op het vlak van intellectuele eigendom en de handhaving daarvan. Aarzel niet om contact met ons op te nemen voor verdere toelichting.
Intellectuele eigendom
Informatiebeheer & Gegevensbescherming
Productconformiteit, -veiligheid en -aansprakelijkheid
Geschillenbeslechting
Life Sciences
Handelsrecht
Telecom, Media & Technologie
olivia.santantonio@lydian.be
Handelsrecht
Geschillenbeslechting
Informatie & Communicatie Technologie (ICT)
Informatiebeheer & Gegevensbescherming
Intellectuele eigendom
Telecom, Media & Technologie
ines.nibakuze@lydian.be