Overslaan en naar de inhoud gaan
Contacteer ons

Buurman, wat doe je nou?

Deze pagina delen

De wetgever besteedt in het NBW ruim aandacht aan burenrelaties. In die zin verduidelijkt de wetgever de notie ‘burenhinder’ en wordt een preventieve vorderingsmogelijkheid ten aanzien van gekwalificeerde burenhinder voortaan vastgelegd in het NBW. 

Niet-exhaustieve criteria om al dan niet tot burenhinder te besluiten

De wetgever voorziet voor het eerst in wettelijke (niet-exhaustieve) criteria die de vrederechter moeten toelaten om hinder als bovenmatig te beschouwen:

  1. Tijdstip (bijvoorbeeld luide geluiden overdag t.o.v. ‘s nachts);
  2. Frequentie (bijvoorbeeld éénmalige t.o.v. structurele overlast);
  3. Intensiteit van de hinder (bijvoorbeeld de mate waarin een geluid indringend is);
  4. Eerst ingebruikneming (bijvoorbeeld collectieve, dan wel individuele eerst ingebruikneming);
  5. Publieke bestemming van het onroerend goed van waaruit de hinder wordt veroorzaakt.
Gekwalificeerde burenhinder geeft aanleiding tot een preventieve vordering

Daarnaast heeft de wetgever voorzien in nieuwe bepaling dewelke toelaat om ook preventief tegen burenhinder op te treden.

Zo kan een eigenaar of gebruiker van een onroerend goed voortaan, wanneer een onroerend goed ernstige en manifeste risico’s inzake (i) veiligheid (ii) gezondheid of (iii) vervuiling ten aanzien van een naburig onroerend goed veroorzaakt, in rechte vorderen dat preventieve maatregelen worden genomen teneinde te verhinderen dat het risico zich ook effectief realiseert.

Hiermee beantwoordt de wetgever de vraag of er preventief kan opgetreden worden tegen dreigende burenhinder. Het antwoord op die vraag is positief, doch voor zover het risico bijzonder gekwalificeerd ingevolge de voormelde criteria.

Ter illustratie moet voortaan dus niet meer gewacht worden tot een bouwvallig huis effectief instort met de nodige schade aan naburige erven tot gevolg, maar kunnen de naburen (voor zover aan de gestelde criteria is voldaan) preventief naar de vrederechter stappen om een eventuele instorting van het gebouw te voorkomen.

De exclusieve bevoegdheid van de vrederechter inzake burenhinder

Tot slot sleutelt de wetgever ook aan de procedurele bevoegdheid inzake burenhinder. Uit de rechtspraak bleek immers dat de bevoegdheid inzake burenhinder tot op heden verdeeld was. De vrederechter was immers enkel bevoegd indien het burengeschil te maken had met een van zijn bijzondere bevoegdheden (o.a. mede-eigendom, erfdienstbaarheden, afpaling). Burengeschillen die niet onder deze bijzondere bevoegdheden vielen en ook niet tot de bevoegdheid rationae summae (vorderingen tot EUR 5.000,00) behoorden tot de materiële bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. De rechtbank van eerste aanleg was ook bevoegd wanneer een schadevergoeding voor burenhinder werd gevraagd via artikel 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek (buitencontractuele aansprakelijkheid). Dit had tot gevolg dat een vordering vaak verkeerdelijk bij de vrederechter werd ingeleid, ongeacht de som en dit om verschillende redenen.

De wetgever wijzigt nu de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter (artikel 591 Gerechtelijk Wetboek), ten gevolge waarvan geschillen inzake bovenmatige burenhinder voortaan integraal door de vrederechter worden behandeld, ook wanneer het bedrag van de vordering meer dan EUR 5.000,00 bedraagt. De wetgever nuanceert daarbij wel dat de materiële bevoegdheidsregels voor de op de (buiten)contractuele aansprakelijkheid gesteunde vorderingen ongewijzigd blijven.

Auteurs