Overslaan en naar de inhoud gaan

Recente Cassatierechtspraak omtrent de Wet Verzekeringen van 2014: 2025 in vogelvlucht

Cass. 31 januari 2025, C.21.0180.N, Ethias v. Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten

Subrogatie in de rechten van de benadeelde | Verjaringstermijn | Motiveringsplicht

De benadeelde heeft op grond van art. 150 Wet Verzekeringen 2014 (W. Verz.) een eigen recht tegen de verzekeraar. 

Dit recht verjaart na vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit werd gepleegd (art. 88, § 2 W.Verz.). Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip. De termijn verstrijkt evenwel in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit werd gepleegd.

De heer C. kwam op 13 januari 2010 ten val door ijzel ter hoogte van handelszaak nv C. Zijn ziekteverzekeraar maakte vanaf juni 2010 uitgavenstaten over aan de aansprakelijkheidsverzekeraar van nv C.

Op 28 oktober 2013 dagvaardde de heer C. zowel nv C. als de gemeente. De politierechter stelde bij vonnis van 7 juli 2014 nv C. aansprakelijk. In hoger beroep hervormde de rechtbank van eerste aanleg dit vonnis op 1 juni 2015 en stelde uitsluitend de gemeente aansprakelijk.

De ziekteverzekeraar richtte zich vervolgens op 4 september 2015 voor het eerst tot de gemeente voor terugbetaling van haar uitgaven. Op 14 februari 2018 verschenen de ziekteverzekeraar en nv E., aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente, vrijwillig voor de politierechtbank. Bij vonnis van 9 januari 2019 werd nv E. veroordeeld tot terugbetaling.

In hoger beroep bevestigde de rechtbank van eerste aanleg bij vonnis van 24 augustus 2020 (verbeterd op 3 september 2020) deze beslissing. Nv E. stelde cassatieberoep in.

De appelrechter oordeelt dat de ziekteverzekeraar (verweerder in cassatie) niet vanaf het schadeverwekkend feit reeds op de hoogte kon zijn dat de aansprakelijkheid van de gemeente voor de valpartij van zijn verzekerde betrokken zou zijn, en hier redelijkerwijs pas kennis van kreeg op het moment van de dagvaarding op 28 oktober 2013.

In het arrest van 31 januari 2025 verbreekt het Hof van Cassatie deze redenering van de appelrechter en stelt daarbij dat een rechter die de aanvang van de verjaring laat afhangen van het moment waarop de mutualiteit kennis kreeg van haar rechtstreekse vordering tegen de gemeente, zonder te onderzoeken wanneer die kennis bij de verzekerde zelf ontstond, tekortschiet in zijn motiveringsplicht. Door deze essentiële vaststelling achterwege te laten, wordt het Hof verhinderd om een effectief wettigheidstoezicht uit te oefenen.

Hiermee bevestigt het Hof dat de subrogatie in de rechten van de benadeelde tot gevolg heeft dat de indeplaatsgestelde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren, waaronder dus ook het moment van aanvang van de verjaringstermijn toebehoort.

Cass. 14 maart 2025, C.23.0450.N, Desarent NV v. Ethias NV

Onzeker voorval | Oorzakelijk verband | Equivalentieleer | Zaakverzekering

De feiten van deze zaak betreffen een vrachtwagenchauffeur die ter hoogte van wegenwerken over een op de grond gelegde stalen plaat reed. Deze plaat wipte omhoog en sloeg een gat in het oliecarter, waardoor olie wegliep. Ondanks waarschuwingslichten op het dashboard reed de chauffeur nog meer dan twee kilometer verder alvorens de vrachtwagen noodgedwongen tot stilstand kwam. 

Een "Schadeverzekering" is een verzekering waarbij de verzekeringsprestatie afhankelijk is van een onzeker voorval dat schade veroorzaakt aan iemands vermogen (art. 5.15° W. Verz.).

Nadat het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 12 mei 2022 had geoordeeld dat de schadebeperkingsplicht enkel in hoofde van de vergoedingsgerechtigde verzekerde speelt, en niet ook in hoofde van de hulppersoon-aangestelde (bestuurder), werd de vordering tot vergoeding van de motorschade afgewezen door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, optredend als appelrechter. De rechtbank oordeelde immers dat de motorschade niet door het ongeval (overrijden van de plaat) is veroorzaakt, maar uitsluitend door het feit dat de bestuurder met de vrachtwagen is blijven doorrijden. De appelrechters waren verder van oordeel dat de verzekering in kwestie een zaakverzekering betrof die, in tegenstelling tot een aansprakelijkheidsverzekering, geen toepassing van de equivalentieleer in de verhouding tussen verzekeraar en verzekeringsnemer met zich meebrengt. De appelrechters sloten zo het oorzakelijk verband tussen het gedekte risico en de gedekte schade principieel uit, zonder daadwerkelijk na te gaan of de schade zich al dan niet ook zou voorgedaan hebben zonder het ongeval zoals het zich in concreto heeft voorgedaan (conditio sine qua non – test).

Het Hof besliste dat de appelrechters met bovenstaande redenering faalden naar recht. De toepassing van de equivalentieleer, die inhoudt dat wanneer sprake is van meerdere mogelijke oorzaken, onderzocht moet worden welk aandeel elke potentiële oorzaak apart in de schade treft, kan behoudens een wettelijke of specifieke contractuele bepaling niet uitgesloten worden louter en alleen door het feit dat de verzekering in kwestie een zaakverzekering betreft.

Cass. 20 juni 2025, C.24.0166.N, Alb Fasteners BV v. Optimco NV.

Bedrog | Regresvordering | Verjaringstermijn

Art. 88, §3 W.Verz. bepaalt dat: “de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, ter rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, behoudens bedrog.”

In casu betrof het een auto-ongeval dat plaatsvond in 2016 veroorzaakt door de zoon van de zaakvoerster van de verzekerde onderneming. Bij dit ongeval raakte ook een vriendin van de zoon gewond. Direct na het ongeval verklaarde de zoon dat hij slechts uitzonderlijk de wagen gebruikte en dat deze dus hoofdzakelijk door zijn moeder, de zaakvoerster, gebruikt wordt. Later, in 2017, verklaarde hij tegenover een privédetective van de verzekeraar echter dat hij de gewoonlijke gebruiker van het voertuig was. De verzekeraar betaalde voor het eerst schadevergoedingen aan de vriendin in 2018 maar ging pas over tot dagvaarding van de verzekerde in 2021, stellende dat eiseres opzettelijk had verzwegen dat J.O. de gebruikelijke bestuurder was en hiermee dus bedrog had gepleegd. De verzekerde beargumenteerde dat de vordering verjaard was gezien het bedrog reeds in 2017 ontdekt was en dit de oorzaak voor de terugvordering betrof.

De appelrechter oordeelde in de zaak ten gronde dat voormelde wettelijke bepaling logisch is, aangezien de verzekeraar pas een regresvordering kan instellen nadat hij zelf de sommen aan de benadeelde heeft betaald, en dat deze bepaling geenszins zo kan worden geïnterpreteerd dat de verzekeringnemer die bedrog pleegt vroeger bevrijd zou zijn van haar terugbetalingsverplichting dan diegene die geen bedrog pleegt. Met dit arrest bevestigt het Hof van Cassatie de lezing van de appelrechter in het bestreden arrest.

De term ‘bedrog’ in deze context verwijst specifiek naar misleidende gedragingen met betrekking tot feiten die voor de verzekeraar aanleiding kunnen vormen om een regresvordering in te stellen. Zij omvat dus geenszins de situatie waar bedrog binnen de verzekeringsovereenkomst zelf, zoals bijvoorbeeld de opzettelijke verzwijging bij het afsluiten van de polis, de grond vormt voor de regresvordering.

De wettelijke uitzondering strekt er niet toe bescherming te bieden aan de bedrieglijke verzekerde door de verjaringstermijn mogelijks vroeger te laten ingaan. Ook indien de verzekeraar reeds voorafgaand aan de uitkering kennis heeft van het bedrog, vangt de verjaringstermijn pas aan op het ogenblik van de effectieve betaling. 

Enkel wanneer het bedrog pas na de betaling aan het licht komt, begint de termijn te lopen vanaf het moment van ontdekking.

Cass. 18 september 2025, C.24.0139.N, Baloise Vie Luxembourg SA v. Steveca BV.

Schadegeval | Levensverzekering | Verjaringstermijn

Krachtens art. 89, §3 W.Verz. wordt, indien het schadegeval tijdig is aangemeld, de verjaring gestuit tot op het ogenblik dat de verzekeraar aan de wederpartij schriftelijk kennis heeft gegeven van zijn beslissing.

Ten gronde aan deze uitspraak ligt de vordering vanwege de erfgenamen van een verzekerde waarbij de levensverzekeraar wordt aangesproken voor vermeende fouten die zouden zijn gemaakt in de uitvoering van een contractuele relatie. De levensverzekeraar stelt dat de stuiting zoals bepaald in bovenvermeld artikel niet van toepassing kan zijn, daar de contractuele wanprestatie geen schadegeval uitmaakt in het kader van een levensverzekering. Ze stelt dat enkel en alleen het overlijden het verzekerde risico is en dus voorwerp van de polis is.

Het Hof weerlegt deze argumentatie echter en specifieert dat het begrip ‘schadegeval’ in de zin van voormeld artikel zo moet ingevuld worden dat het slaat op elke gebeurtenis die een aanspraak op het vermogen van de verzekeraar doet ontstaan. Bij een vordering op grond van contractuele aansprakelijkheid maakt de contractuele wanprestatie van de verzekeraar dus het schadegeval uit.

Cass. 9 October 2025, C.24.0476.N, B. v. Baloise Insurance NV

Kennisgeving | Lastgeving | Verjaringstermijn

Art. 89, §5 W.Verz. bepaalt dat de verjaring van de rechtstreekse vordering (artikel 88, § 2) wordt gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen voor de door hem geleden schade. De stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennisgeeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.

In de zaak ten gronde die aanleiding gaf tot het cassatie-arrest deed zich de situatie voor dat een bank/verzekeraar als rechtsbijstandsverzekeraar voor haar verzekerde de communicatie voerde voor diens rekening. Die rechtsbijstandsverzekeraar had op 28 juni 2012 verzocht om tussenkomst van de schadeverzekeraar en betaling van de schade-eis op het rekeningnummer van de rechtsbijstandsverzekeraar. De schadeverzekeraar had op haar beurt op 12 november 2012 haar weigering schriftelijke overgemaakt aan de rechtsbijstandsverzekeraar. 

De verzekerde beargumenteert dat het loutere optreden van de bank/verzekeraar als rechtsbijstandsverzekeraar an sich hoogstens een vertegenwoordiging betreft in het raam van een ander type polis doch geen lastgeving om de voormelde kennisgeving van de beslissing van de verzekeraar te ontvangen, en dat deze lastgeving ook niet stilzwijgend kan ontstaan. Daarom zou volgens de eiser/verzekerde de stuiting zoals bepaald in art. 89, §5 W.Verz. nooit opgehouden zijn, gezien de weigeringsbeslissing niet rechtstreeks aan de benadeelde persoonlijk, noch aan zijn lasthebber is overgemaakt.

In dit arrest bevestigt het Hof de redenering van de appelrechter die uitgaat van het gegeven dat uit een brief waarbij een rechtsbijstandsverzekeraar verzoekt om betaling op haar rekening, een effectief en uitdrukkelijk mandaat om namens de verzekerde op te treden afgeleid kan worden. Wanneer die rechtsgeldig bevrijdende betaling kan ontvangen, wordt ze ook geacht om bevoegd te zijn om kennisgevingen die de verjaringstermijn doen lopen te ontvangen. 

De verjaring verliep dus op 12 november 2017 en dus is de dagvaarding van 10 mei 2021 ruimschoots laattijdig met als gevolg dat de vordering onontvankelijk verklaard moet worden.

Cass. 3 november 2025, C.23.0109.F, C. v. D.

Mede-eigendom | Betaling premie

In een recent arrest heeft het Hof van Cassatie een belangrijke vraag beslecht voor scheidende koppels: wanneer één echtgenoot een in mede-eigendom gehouden onroerend goed blijft verzekeren, moet de andere dan bijdragen in de premies?

J.C. en A.D. zijn in 2003 gehuwd en hebben samen een onroerend goed aangekocht. Na het indienen van een verzoek tot echtscheiding in 2012, bleef de echtgenoot de brandverzekeringspremies betalen voor hun gemeenschappelijke woning. Jaren later vorderde hij de terugbetaling van de helft van de kosten. De echtgenote weigerde, met het argument dat zij de latere verzekeringsovereenkomsten niet had ondertekend.

Het Hof van Cassatie paste artikel 5, 17°, a) W.Verz. toe en vestigde daarbij een cruciale regel: wanneer een mede-eigenaar een brandverzekering afsluit met premies berekend op de totale waarde van het onroerend goed (en niet enkel op zijn aandeel), wordt hij geacht te handelen voor rekening van alle mede-eigenaars. Dit betekent dat alle mede-eigenaars "verzekerden" zijn en de kosten gelijkelijk moeten delen.

Het Hof oordeelde dat, aangezien de echtgenoot aanvankelijk premies betaalde voor een polis waarop beide echtgenoten hadden ingetekend, gelijkwaardige premies bleef betalen onder nieuwe polissen, en de volledige waarde van het onroerend goed verzekerde (en niet enkel zijn helft), hij duidelijk handelde voor rekening van beide mede-eigenaars. De echtgenote was bijgevolg gehouden tot terugbetaling van de helft van de premies.

Dit arrest biedt duidelijkheid voor echtgenoten in echtscheiding en mede-eigenaars. Een verzekering die een in mede-eigendom gehouden onroerend goed dekt, komt alle eigenaars ten goede, en de premiekosten dienen proportioneel te worden gedeeld. Persoonlijke verzekeringen zoals de familiale burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering blijven evenwel uitsluitend ten laste van de verzekeringnemer. De beslissing bevestigt dat mede-eigendom van onroerende goederen doorlopende financiële verplichtingen met zich meebrengt, zelfs na het beëindigen van de relatie.
 

Cass. 4 december 2025, C.24.0384.N, N. v. AXA BELGIUM NV

Ingebrekestelling | Berekening van de termijn van een ingebrekestelling | Ondubbelzinnig en helder taalgebruik

Het Hof van Cassatie heeft verduidelijkt wat verzekeraars moeten vermelden wanneer zij verzekeringsnemers waarschuwen voor onbetaalde premies, en biedt daarmee duidelijke richtsnoeren over artikel 70 W.Verz.

V.N. betwistte een ingebrekestelling van AXA Belgium waarin betaling werd gevorderd "binnen 15 dagen, meer bepaald vóór 16 januari om 00:00 uur." Hij voerde aan dat de ingebrekestelling hem niet naar behoren informeerde over het aanvangstijdstip van de termijn van 15 dagen, noch over de gevolgen bij niet-betaling. De ingebrekestelling van de verzekeraar vermeldde dat niet-betaling zou leiden tot schorsing van "de waarborgen van uw contract" vanaf 16 januari 2020.

Artikel 70 W. Verz. vereist dat ingebrekestellingen de verzekeringsnemer herinneren aan de premievervaldag, het verschuldigde bedrag, de gevolgen van niet-betaling en het aanvangstijdstip van de termijn. De wet vereist tevens duidelijkheid over het feit dat de schorsing of opzegging ingaat vanaf de dag na het verstrijken van de termijn.

Het Hof heeft twee belangrijke beginselen vastgesteld. Ten eerste, wat de termijn betreft, volstaat het dat de ingebrekestelling het aanvangstijdstip van de termijn kenbaar maakt aan de verzekeringsnemer. Het is niet noodzakelijk de exacte aanvangsdatum uitdrukkelijk te vermelden indien de verzekeringsnemer deze kan berekenen op basis van de verstrekte informatie. Het Hof oordeelde dat de vermelding van een termijn "vóór 16 januari" in een ingebrekestelling met een termijn van 15 dagen duidelijk maakte dat de termijn op 1 januari aanving.

Ten tweede, wat de gevolgen betreft, legt de wet geen exacte bewoordingen op. Het volstaat dat de gevolgen worden aangeduid op een wijze die de verzekeringsnemer in staat stelt deze te begrijpen. De formulering "de waarborgen van uw contract schorsen" liet geen ruimte voor twijfel over wat zou gebeuren. Er is geen vereiste om de precieze inhoud of juridische implicaties in technisch detail toe te lichten.

Het Hof verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat verzekeraars flexibiliteit hebben bij het opstellen van ingebrekestellingen, mits de essentiële informatie duidelijk en begrijpelijk is. Wat telt is of de verzekeringsnemer kan begrijpen wat zal gebeuren en wanneer, niet of specifieke juridische formuleringen worden gebruikt. Deze pragmatische benadering, waarbij de inhoud prevaleert boven de vorm, brengt de behoefte van de verzekeraar aan praktische flexibiliteit in evenwicht met het recht van de verzekeringsnemer op duidelijke informatie over de gevolgen van niet-betaling.
 

Auteurs