Overslaan en naar de inhoud gaan
Contacteer ons

De toepassing van de nieuwe B2B-wet in de praktijk

Op 1 december is het zover: alle onderdelen van de veelbesproken nieuwe B2B-wet (Wet van 4 april 2019 houdende wijziging van het Wetboek van Economisch Recht met betrekking tot misbruiken van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen) treden dan geheel in werking. Tot voor kort waren namelijk enkel de hoofdstukken over het verbod op oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen (1 september 2019) en het verbod op misbruik van economische afhankelijkheid (23 augustus 2020) in werking. Vandaag komen daar de “zwarte” en “grijze” lijsten van onrechtmatige bedingen bij.

Het is uitkijken naar de interpretatie die hoven en rechtbanken zullen geven aan de nieuwe B2B-wet. Er is alvast één vonnis van 28 oktober 2020 gekend van de Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank te Gent. In dit vonnis sprak de Voorzitter zich uit over het verbod op misbruik van economische afhankelijkheid (art. IV.2/1 WER). 

Definitie van misbruik van economische afhankelijkheid

Volgens de nieuwe B2B-wet maakt een onderneming misbruik van de economische afhankelijkheid van een andere onderneming indien zij voorwaarden of prestaties oplegt die zij in normale omstandigheden niet zou hebben kunnen opleggen. Vereist is dat dit misbruik leidt tot een potentiële aantasting van de mededinging op de betrokken Belgische markt of een wezenlijk deel ervan (art. IV.2/1 WER).

Drie cumulatieve toepassingsvoorwaarden dienen bijgevolg vervuld te zijn opdat er sprake zou kunnen zijn van een schending van het verbod op misbruik van economische afhankelijkheid:

  1. een onderneming bevindt zich in een positie van economische afhankelijkheid;
  2. een andere (dominerende) onderneming maakt misbruik van deze economische afhankelijkheid om prestaties of voorwaarden op te leggen die zij normaliter niet zou hebben kunnen verkrijgen;
  3. door dit misbruik wordt de mededinging op de betrokken Belgische markt (of een wezenlijk deel ervan) potentieel aangetast.
Toepassing in de rechtspraak

De Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank te Gent diende zich te buigen over de vraag of er sprake was van een schending van het verbod op misbruik van economische afhankelijkheid in een relatie tussen twee ondernemingen actief in de retailsector. Eén van beide ondernemingen, met name de leverancier, weigerde zonder aankondiging om nog langer bestellingen uit de wintercollectie 2020 te leveren aan een kleinhandelaar. Deze weigering zou zijn ingegeven door de onmiddellijke beëindiging van de handelsrelatie tussen de leverancier en de kleinhandelaar wegens mogelijke betalingsmoeilijkheden bij de kleinhandelaar. De leverancier meende dat hij inderdaad alle bestellingen kon annuleren en bijgevolg geen kledij diende te leveren indien de kredietwaardigheid van zijn afnemers (in dit geval de kleinhandelaar) in het gedrang zou zijn. Hij beriep zich hiervoor op zijn algemene voorwaarden.

De kleinhandelaar was het hier niet mee eens en legde de zaak voor aan de stakingsrechter met het verzoek om hierover spoedig te oordelen gelet op het gebrek aan een wintercollectie om in de rekken te leggen. 
De Voorzitter gaf de kleinhandelaar ten gronde gelijk. Hij was volledig afhankelijk van de leverancier voor zijn aanbod. Er was namelijk geen redelijk equivalent alternatief voorhanden dat de kleinhandelaar zou toelaten om, tegen redelijke voorwaarden en kosten, en binnen een redelijke termijn, alsnog een volwaardige wintercollectie aan te bieden in zijn boetiek. De collecties voor een bepaald seizoen worden immers ruim op voorhand vastgelegd. Hiermee was de eerste toepassingsvoorwaarde (positie van economische afhankelijkheid) alvast vervuld.

Het misbruik door de leverancier bestond er volgens de rechter in dat de levering zonder redelijke aankondiging onmiddellijk werd stopgezet. De leverancier had voldoende ervaring om te weten dat het onmogelijk zou zijn voor de kleinhandelaar om zich in september 2020 nog te laten bevoorraden door concurrerende leveranciers. De rechter hield verder ook rekening met het feit dat de leverancier wel degelijk de indruk had gewekt ten aanzien van de kleinhandelaar om de wintercollectie nog te zullen leveren door bijhorend promotiemateriaal te leveren. Daarnaast zou de leverancier al langer op de hoogte zijn geweest van de vermeende betalingsachterstand bij de kleinhandelaar. De leverancier had zich dus reeds eerder op deze achterstand moeten beroepen. 

Tot slot zou uit een marginale toetsing blijken dat de werkelijke reden van de weigering tot levering van de wintercollectie zou bestaan in een gewijzigde distributiepolitiek bij de leverancier: deze zou het cliënteel van de kleinhandelaar rechtstreeks, fysiek of online, hebben willen benaderen, zodat de plotse beëindiging van de relatie wegens gebrek aan kredietwaardigheid eerder een drogreden leek te zijn. 

Ook de tweede voorwaarde (misbruik van economische afhankelijkheid) werd hiermee vervuld geacht.

Echter, in plaats van over te gaan naar de derde voorwaarde, nl. de potentiële aantasting van de mededinging op de betrokken Belgische markt, of een wezenlijk deel ervan, besloot de Voorzitter meteen tot een inbreuk op artikel IV.2/1 WER. De drie toepassingsvoorwaarden zijn nochtans van cumulatieve aard.

De Voorzitter maakte in de plaats daarvan een verwijzing naar het algemeen verbod op oneerlijke markpraktijken:

“Het aan de dag gelegde gedrag van verweerster komt arbitrair voor en vormt een inbreuk op artikel IV.2/1 WER, minstens komt het neer op onzorgvuldig gedrag dat de eerlijke marktpraktijken schendt in de zin van art. VI.104 WER, en waardoor bovendien onomkeerbare schade dreigt te worden berokkend aan de eiseres.”  

De Voorzitter veroordeelde de leverancier tot staking van de leveringsweigering, op straffe van een dwangsom. De tegenvordering van de leverancier, die vorderde om bijkomende waarborgen op te leggen voor de levering “kadert uitsluitend binnen de zuiver contractuele verhouding tussen partijen en is niet ontvankelijk”.

Kritische noot

Het is twijfelachtig of bovenstaande argumentatie en een loutere verwijzing naar het algemeen verbod op oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen volstaat om te besluiten tot een veroordeling wegens misbruik van economische afhankelijkheid. Beide bepalingen zijn zelfstandig en los van elkaar in te roepen. 

Hoewel er zeker sprake kan zijn van een schending van beide bepalingen in één geschil, is het nog wel vereist om de toepassingsvoorwaarden per ingeroepen inbreuk te toetsen. Dit betekent dat voor het verbod op misbruik van de economische afhankelijkheid een bewijs dient voor te liggen dat de mededinging op de betrokken markt zou kunnen worden aangetast. 

Deze verwarring zal mogelijks verduidelijkt worden in toekomstige (hogere) rechtspraak.
 

Auteurs