News

06.02.18

06.02.18 A1 verklaring kan (enkel) bij fraude opzij geschoven worden

Zoals verwacht heeft het Hof van Justitie vandaag geoordeeld dat de nationale rechter een A1 formulier buiten toepassing kan laten in geval van fraude (zaak Altun e.a.). In een andere zaak bevestigde de advocaat-generaal wel opnieuw de principieel bindende kracht van het A1 formulier buiten het geval van fraude (zaak Alpenrind).

Bindende kracht A1 verklaring valt weg bij fraude (arrest Altun e.a., C-359/16) ...

In zijn arrest van vandaag volgt het Hof van Justitie de conclusie van de advocaat-generaal (e-zine van 13 november 2017) en oordeelt het dat de nationale rechter van de ontvangende lidstaat (hier België) een A1 verklaring (hier afgeleverd door Bulgarije) buiten beschouwing kan laten wanneer deze verklaring frauduleus verkregen is of ingeroepen wordt. De Belgische rechter kan dit niet zomaar:

  • De Belgische sociale zekerheidsinstanties moeten eerst aan de Bulgaarse sociale zekerheidsinstanties vragen om de A1 verklaringen te heroverwegen of in te trekken, op grond van concrete gegevens die wijzen op fraude.
  • Rekening houdend met deze gegevens moet Bulgarije opnieuw onderzoeken of de verklaringen terecht zijn afgegeven. Zoniet, trekt Bulgarije de A1 verklaringen in.
  • Reageert Bulgarije niet binnen een redelijke termijn, dan kunnen de Belgische sociale zekerheidsinstanties een Belgische rechter vragen om de A1 verklaringen opzij te schuiven.
  • Het recht op een eerlijk proces moet gewaarborgd blijven: zij die van fraude beschuldigd worden, moeten de mogelijkheid hebben om zich te verdedigen voordat de Belgische rechter de A1 verklaringen opzij schuift.

Het Hof van Justitie oordeelt dat deze werkwijze gevolg werd in de zaak Altun, zodat de Belgische rechter de A1 verklaringen buiten beschouwing kon laten.

Het Hof bevestigt ook dat er voor fraude een objectief en een subjectief element nodig is:

  • Het objectieve element bestaat erin dat niet is voldaan aan de voorwaarden om een A1 verklaring te kunnen verkrijgen en zich hierop te kunnen beroepen.
  • Het subjectieve element betreft de intentie om de voorwaarden voor afgifte van de A1 verklaring te omzeilen of te ontduiken teneinde op die manier het eraan verbonden voordeel te verkrijgen.

Fraude kan zowel bestaan in een opzettelijk handelen (vb. de onjuiste voorstelling van de situatie van de gedetacheerde werknemer of van de onderneming die de werknemer detacheert) als in een opzettelijk nalaten (vb. het achterhouden van relevante informatie om de toepassingsvoorwaarden van een geldige detachering te ontduiken).

Het arrest Altun is ongetwijfeld een belangrijk middel in de strijd tegen detacheringsfraude, maar doet geen afbreuk aan de sterke bindende kracht van een A1 verklaring. Dit blijkt nogmaals uit de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak Alpenrind van 31 januari 2018 (C-527/16).

... maar blijft voor het overige wel overeind (conclusie advocaat-generaal in zaak Alpenrind, C-527/16)

De context van de zaak Alpenrind kan als volgt worden samengevat:

  • Alpenrind is een Oorstenrijkse vennootschap, actief in de vee- en vleesverkoop, die een slachterij exploiteert in Salzburg. 
  • Voor het uitsnijden en verpakken van vlees heeft zij van 2007 tot en met 2012 beroep gedaan op de Hongaarse vennootschap Martin-Meat, die hiervoor werknemers detacheerde naar Alpenrind in Oostenrijk. Van 1 februari 2012 tot en met 31 januari 2014 deed Alpenrind een beroep op de Hongaarse vennootschap Martimpex-Meat, dat eveneens werknemers detacheerde naar Alpenrind in Oostenrijk. Sinds 1 februari 2014 gebeurt het uitsnijden van vlees weer door gedetacheerde werknemers van Martin-Meat. 
  • De Hongaarse sociale zekerheidsautoriteiten verstrekten A1 verklaringen aan de gedetacheerde Martimpex-Meat werknemers, waarin bevestigd werd dat zij onder Hongaarse sociale zekerheid vielen tijdens hun detachering. Belangrijk hierbij is dat de A1 verklaringen gedeeltelijk terugwerkende kracht hadden en pas uitgegeven werden nadat Oostenrijk al had vastgesteld dat de Martimpex-Meat werknemers verplicht verzekerd waren in Oostenrijk op grond van de Oostenrijkse sociale zekerheidswetgeving.  
  • Oostenrijk heeft de geldigheid van de A1 verklaringen betwist waardoor de zaak uiteindelijk terechtkwam bij de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels. Deze commissie moet bij betwistingen over de geldigheid van A1 verklaringen proberen om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden. De commissie oordeelde dat de A1 verklaringen ingetrokken moesten worden omdat Hongarije ten onrechte geoordeeld had dat de Hongaarse sociale zekerheidswetgeving van toepassing was op de gedetacheerde werknemers.

In deze context zijn een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld. Uit de conclusie van de advocaat-generaal blijkt dat het bindend karakter van de A1 verklaring (buiten gevallen van fraude dus) pal overeind blijft. De advocaat-generaal heeft als volgt geoordeeld:

  • De A1 verklaring waarin bevestigd wordt dat een werknemer is aangesloten bij het sociale zekerheidsstelsel van een bepaalde lidstaat (hier Hongarije) is bindend voor de rechterlijke instanties van een andere lidstaat (hier Oostenrijk) zolang deze niet effectief is ingetrokken of ongeldig verklaard.
  • Ook in de situatie waarin de Administratieve Commissie een besluit heeft genomen met betrekking tot de intrekking van een A1 verklaring, maar het orgaan van afgifte nog niet is overgegaan tot de intrekking, blijft de A1 verklaring bindend.
  • De A1 verklaring waarin bevestigd wordt dat een werknemer is aangesloten bij het sociale zekerheidsstelsel van een bepaalde lidstaat (hier Hongarije) is ook bindend als de A1 verklaring pas is afgegeven nadat was vastgesteld dat de werknemer onderworpen is aan het sociale zekerheidsstelsel van de lidstaat van ontvangst (hier Oostenrijk) en de A1 verklaring terugwerkende kracht heeft.

De advocaat-generaal heeft zich daarnaast ook uitgesproken over de voorwaarde voor een geldige detachering dat een werknemer niet uitgezonden mag worden om een andere te vervangen. De vraag was gerezen of deze voorwaarde ook de situatie viseert van een vervanging via een detachering door een andere werkgever. In de zaak Alpenrind gebeurden er inderdaad eerst detacheringen door Martin-Meat en daarna door Martimpex-Meat.

De advocaat-generaal heeft hierover geoordeeld dat de voorwaarde van niet-vervanging enkel de situatie wil vermijden waarin dezelfde werkgever zijn gedetacheerd personeel laat rouleren om de voorwaarde met betrekking tot de duur van de detachering te omzeilen. Het slaat dus niet op opeenvolgende detacheringen door verschillende werkgevers. De advocaat-generaal heeft wel een belangrijke caveat gemaakt: als er personele en/of organisatorische banden zijn tussen de werkgevers, moet onderzocht worden of de werkgevers de niet-vervangingsvoorwaarde op die manier proberen te omzeilen. In dat geval zou er immers sprake zijn van fraude of misbruik en kan er van een geldige detachering geen sprake zijn. Zoals vandaag bevestigd in de zaak Altun e.a. kan de A1 verklaring dan opzij geschoven worden.

De conclusie van de advocaat-generaal is niet bindend voor het Hof van Justitie, maar in de meeste gevallen volgt het Hof van Justitie de conclusie. To be continued. 

Philip De Roo, Associate Employment, Pensions & Benefits